Biomassa ABC

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

Vaste restant uit de verbranding van vaste brandstoffen.

Het asgehalte geeft de hoeveelheid verbrandingsresten aan. Deze ontstaat onder bepaalde voorwaarden bij het verbranden van de brandstof (bijvoorbeeld pellets). Het asgehalte wordt aangegeven in gewichtsprocent gerelateerde aan de droge substantie. Bij een volledige verbranding van pellets ligt het asgehalte meestal tussen 0,5 en 1,5%.

B

Bijgroeiende grondstoffen zijn producten die worden gekweekt in de land- en bosbouw en niet als voedsel wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor de energieopwekking.

Biomassa kan in vaste, vloeibare of gasvormige vorm voorkomen en wordt gebruikt voor de energieopwekking (warmte, koude, stroom) en voor de winning van motorbrandstof (biodiesel, plantaardige olie).

Tot de vaste biomassa behoren houtachtige biomassa zoals resthout uit het bos in de vorm van hakhout, zaagresten, houtpellets, schors, behandeld en onbehandeld oud hout, hout uit de korte-omloopteelt, maar ook halmachtige brandstoffen zoals strooi, graanplanten, olifantsgras en energieplanten.

Vloeibare biomassa zijn oliën (zoals raapolie, zonnebloemolie, ...) die bijvoorbeeld tot motorbrandstoffen zoals biodiesel worden verwerkt.

Gasvormige biomassa wordt biogas genoemd en ontstaat bij het vergisten van vaste en vloeibare biomassa zoals maïs en mest. Biogas wordt door motorische verbranding omgezet in bruikbare energie.

Bij een brandstofaanvoer van onderen wordt de brandstof met een aanvoervijzel van onderen in een retort geschoven. Een deel van de verbrandingslucht wordt als primaire lucht in het bereik van de retort geblazen. Daar wordt de brandstof gedroogd, pyrolytisch ontleed en vergast; ook wordt de houtskool uitgebrand. De uitbranding van de gassen gebeurt in een daarop volgende naverbrandingskamer onder bijmengen van secundaire lucht.

De door de mensen veroorzaakte verandering van de concentratie van de broeikasgassen in de afgelopen 100 jaar (ongeveer 20% CO2, ongeveer 90% methaan) leidt tot een verhoging van de gemiddelde temperatuur in de wereld.

In de atmosfeer van de aarde zorgen broeikasgassen zoals waterdamp, koolstofdioxide en methaan sinds het bestaan van de aarde voor een broeikaseffect, dat een beslissende invloed heeft op het klimaat. De broeikasgassen laten een deel van de kortegolf-zonnestralen door, maar absorberen de langegolf-warmtestralen, die van het aardoppervlak terug naar de atmosfeer wordt gestraald. Zonder dit natuurlijke broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak bij -18 °C in plaats van bij +15 °C liggen.

C

De calorische waarde is bij een verbranding de maximale nuttige warmtehoeveelheid, zonder dat de waterdamp in het rookgas condenseert. Deze heeft betrekking op de hoeveelheid gebruikte brandstof.

De verhouding tussen nuttige energie voor de verwarming (en eventueel warmwaterbereiding) en de daarvoor gebruikte hoeveelheid eindenergie wordt jaarrendement genoemd. In tegenstelling tot het rendement wordt bij de capaciteitsfactor rekening gehouden met verschillende bedrijfstoestanden die verschillend grote verliezen met zich meebrengen, gedurende een jaar. Terwijl de capaciteitsfactor van de ketel alleen rekening houdt met de ketelverliezen, houdt de capaciteitsfactor van de totale verwarmingsinstallatie ook rekening met de verliezen door de lokale warmtedistributie.

Een centrale verwarming zorgt voor de energievoorziening van vertrekken of gebouwen vanuit één verwarmingscentrale (verwarmingsruimte). Als overdrachtsmedium wordt water gebruikt, dat door buizen naar de verschillende vertrekken wordt getransporteerd, waarin dan radiatoren, vloer- of wandverwarmingen de warmte afgeven aan de ruimte.

Bij de verbranding van hout komt slechts zoveel CO2 in de atmosfeer vrij, als daarvoor door de plant uit de atmosfeer is ontnomen.

Cycloonafscheiders worden ingezet voor het afscheiden van vaste of vloeibare deeltjes in gassen (bijvoorbeeld voor de rookgasreiniging). Het gat wordt in een draaibeweging gebracht. De op de deeltjes werkende centrifugale krachten versnellen deze radiaal naar buiten. Daardoor worden ze van de gasstroom die naar binnen afgezogen wordt afgescheiden.

D

Duurzame energie wordt gewonnen uit energiedragers, die voortdurend worden vernieuwd of nagroeien: wind, zon, water, biomassa, geothermische energie.

E

Onder ecologische voetafdruk verstaat men het oppervlak dat ieder mens nodig heeft, om de huidige levensstandaard op lange termijn te handhaven. Bij een spaarzame levenswijze heeft men logischerwijs een kleinere behoefte aan oppervlak dan bij een verspillende levenswijze.

Hiermee wordt de uitstoot van schadelijke stoffen in het milieu aangeduid. Door het verbrandingsproces ontstaan voor het milieu schadelijke stoffen zoals stikoxide en koolmonoxide. Iedere brandstof stoot verschillende hoeveelheden schadelijke stoffen uit. De hoeveelheid schadelijke stoffen wordt uitgedrukt in CO2 per kWh.

Uit energieplanten kan energie (warmte, koude, stroom) of motorbrandstof zoals biodiesel worden gewonnen. Daarvoor zijn verschillende omzettingsprocessen nodig zoals vergisting, oliewinning of verbranding. Tot de energieplanten behoren olieplanten zoals koolzaad en zonnebloem, goed vergistende planten zoals maïs en ook planten uit de korte-omloopteelt zoals wilgen en miscanthus.

Dit certificaat stelt nieuwe normen voor de veiligheid in de Europese pelletmarkt en zorgt voor meer transparantie. ENplus gaat veel verder dan een zuivere productstandaard en betrekt het volledige productieproces en de volledige toeleveringsketen bij het certificatiesysteem.

F

Fijnstof is stof met een grootte tussen 1 en 10 µm. Bij de beweging van rustende lucht volgt fijnstof niet de valwetten, maar zet zich min of meer slechts langzaam af.

Fossiele brandstoffen zijn hulpbronnen als bruinkool, steenkool, turf, aardgas en aardolie die gedurende duizenden jaren onder bepaalde omstandigheden zijn ontstaan. Daarbij worden dode planten en dieren gedurende een zeer lange tijd en onder een bepaalde druk in aardolie of aardgas omgezet. Aardolie en aardgas zijn nog steeds enorm belangrijke energiebronnen voor de mensen en zullen ook in de toekomst slechts moeilijk vervangen kunnen worden.

Fotosynthese is het opwekken van energierijke stoffen uit energiearmere stoffen met behulp van lichtenergie. Dit proces vindt plaats in planten, algen- en enkele bacteriegroepen. Door dit biochemische proces wordt met behulp van lichtabsorberende kleurstoffen de lichtenergie omgezet in chemische energie. Deze bindt onder andere ook koolstofdioxide.

G

ontstaat in de verbrandingscomponent (rooster) van de stookinstallatie. In de grove en roosteras bevinden zich naast de vaste verbrandingsresten ook minerale verontreinigingen van de brandstof, zoals zand, aarde of stenen.

H

Machinaal gehakt hout met en zonder schors met een maximale stuklengte van ca. 100 mm.

I

Daaronder wordt hakhout verstaan met uitzondering van boshakhout en hakhout van oud hout. Het gaat om neven- en afvalproducten uit de verschillende fasen in de houtbe- en houtverwerking, die onbehandeld of behandeld kunnen zijn, omdat ze vaak lijmen, impregnatiemiddelen of verfstoffen bevatten.

Houtpellets voor kleine stookinstallaties bestaan uit geperste zaagresten zoals spaanders of zaagsel. Een kilogram pellets heeft een calorische waarde van ca. 5 kWh. Dit komt ongeveer overeen met een halve liter stookolie. Naast het bestaande aanbod aan genormeerde pellets (volgens ÖNORM M7135 resp. DIN plus) worden ook de zogenaamde industriepellets aangeboden. De productie van deze brandstof is op grond van het gebruik in grote stookinstallaties met geschikte aanvoersystemen in tegenstelling tot gangbare pelletkachels niet onderworpen aan de strenge normen van de pelletproductie en daarom zijn de productiekosten lager. Industriepellets kunnen ook in kachels voor houtsnippers worden gebruikt. Industriepellets hebben vergeleken met houtpellets voor kleine stookinstallatie een grotere diameter (10-12mm) en zijn niet zo hard geperst. Het gebruik van industriepellets is voorbehouden aan de industrie. De consument (eindverbruiker) heeft geen toegang tot industriepellets. Daarom zijn industriepellets ook niet verkrijgbaar in de brandstofhandel.

 

 

K

De samenstelling van de chemische en natuurkundige eigenschappen van een kwaliteitsbrandstof moeten voldoen aan verschillende normen (bijvoorbeeld houtpellets ÖNORM M 7135 resp. Din Plus of hakhout ÖNORM M 7133).

In de bosbouw en houtindustrie gangbare maat voor 1 kubieke meter gestapeld hout met inbegrip van de tussenruimtes met lucht.

L

De lambdasonde is een sensor die het resterende zuurstofgehalte in het rookgas meet. De lambdasonde is de hoofdsensor van de lambdaregeling. Een lambdasonde wordt bij pellet-, houtsnipper- en stukhoutkachels, maar ook bij otto-, diesel- en gasmotoren toegepast.

Voor een optimale verbranding van verschillende brandstoffen is een verschillende hoeveelheid zuurstof nodig. De lambdaregeling stelt in het rookgas van een ketel een bepaalde verhouding van lucht tot een bepaalde brandstof in. Een lambdaregeling detecteert de daadwerkelijke lambdawaarde met een lambdasonde en verandert de luchtmengseltoevoer zodanig, dat de vereiste waarde wordt ingesteld.

Een hoogpolymere, aromatische, plantaardige stof die in verhoutende planten de ruimtes tussen de celmembranen vult en tot hout laat worden (lignificatie of verhouting). Op deze wijze ontstaat een menglichaam van drukvaste lignine en trekvaste cellulose.

Eenheid voor 1 kubieke gestorte houtstukken (bijvoorbeeld hakhout).

Voor ieder verbrandingsproces is lucht, of preciezer het zuurstof uit de lucht, nodig.

De luchtovermaatfactor lambda geeft de verhouding aan van de daadwerkelijk toegevoerde lucht en de theoretisch benodigde lucht bij een verbranding. De vereiste luchtovermaatfactor hangt af van de stookmethode, bijvoorbeeld: biomassa: 1,5-1,8 olie: 1,1 -1,3

Voor een volledige verbranding van de brandstof moet er meer lucht worden toegevoerd dan nodig. Daarmee wordt veiliggesteld dat voor alle brandbare bestanddelen voldoende zuurstof beschikbaar is. De luchtovermaat is het verschil tussen de daadwerkelijke en theoretische hoeveelheid lucht.

M

Onder milieuvriendelijk wordt verstaan een zeer lage of geen belasting van het milieu. Hout en pellets zijn in tegenstelling tot fossiele energiedragers zoals olie of gas zeer milieuvriendelijk, omdat het hout een bepaald deel van de CO2-uitstoot bij de verbranding reeds verwerkt heeft. Toch zijn ook natuurlijke energiedrager niet CO2-neutraal, omdat ze vaak lange transporttrajecten hebben afgelegd.

Dit meerjarige gras komt uit Oost-Azië, heeft een hoog opbrengstpotentieel en bereikt een hoogte van wel 4 meter. Meerjarig gras uit Oost-Azië dat erg veel houdt van warmte, een hoog opbrengstpotentieel heeft en een hoogte van 4 m kan bereken. Wegens de hoge verbrandingswaarde en de gunstige kooldioxidebalans wordt de miscanthus steeds vaker gebruikt als brandstof voor de energieopwekking in stookinstallaties voor biomassa.

O

Deze norm regelt de kwaliteitswaarborg in de transport- en voorraadlogistiek voor houtpellets.

Chemisch proces waarbij de moleculen met zuurstof een chemische reactie aangaan en zelf tot andere moleculen worden omgezet; hierbij komt tegelijkertijd energie (bijvoorbeeld warmte) vrij. Alle verbrandingen zijn oxidatieprocessen.

P

Pellets worden vervaardigd in een speciaal productieproces van onbehandelde houtspaanders uit de houtverwerkende industrie, waar ze onder hoge druk tot houtpellets worden gecomprimeerd. De toestand van houtpellets is genormeerd in ÖNORM M7135 resp. DIN plus.

R

Als regeneratieve energie worden energiedragers en - vormen aangeduid, die zich voortdurend op natuurlijke wijze vernieuwen.

Regionale warmtedistributie is het leveren van warmte tussen verwarmingscentrale (verwarmingsruimte) en gebouwen voor de warmtevoorziening, waarbij de warmtelevering vergeleken met de klassieke warmtedistributienetwerken slechts over naar verhouding korte afstanden (warmtenetwerken) plaatsvindt.

Het rendement van een technische installatie is de verhouding van het bereikte nut ten opzichte van de aanwending of ook de verhouding van de nuttige energie (bijvoorbeeld warmte) tot de ingezette energie (bijvoorbeeld de calorische waarde van de brandstof). Het rendement is daarbij vooral een criterium voor de kwaliteit van een proces.

Bij de meeste ketels moet het rookgas een bepaalde temperatuur hebben om een mogelijke condensatie te verhinderen en zonder blazer naar buiten worden getransporteerd. In tegenstelling tot hoogrendementsketels moet bij conventionele ketels de rookgastemperatuur hoger zijn (>120 °C) om zo de condensatie en daarmee roetvorming in de schoorsteen te voorkomen.

S

Boshakhout is gehakt hout dat direct uit het bos komt. Het watergehalte bij vers hakhout bedraagt tussen 40 en 60 gewichtsprocent van de verse substantie. Door de verzorgingsketen vindt er echter een natuurlijke droging tot 25 - 35 gewichtsprocent van de verse substantie plaats. De kwaliteit van hakhout is genormeerd in ÖNORM M7133.

Stookinstallaties worden gebruikt voor de winning van nuttige warmte voor ruimteverwarming en warmwaterbereiding, en de winning van proceswater. De warmte ontstaat door verbranding van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen.

Stukhout (grof gehakt hout) wordt meestal gebruikt voor stookinstallaties die met de hand worden gevuld en komt meestal direct uit het bos. Na het hakken heeft het hout een watergehalte van ongeveer 45 tot 60 gewichtsprocent en moet daarom 1-2 jaar drogen om een watergehalte van ongeveer 20-25 gewichtsprocent te bereiken, voordat het voor de verbranding kan worden gebruikt.

T

Voor een goede verbrandingskwaliteit en een lage uitstoot van schadelijke stoffen geldt de zogenaamde T3-regel: Temperature, Time and Turbulantie, d.w.z. voldoende hoge verbrandingstemperatuur, voldoende verblijfstijd van de verbrandingsgassen in de hete zone en een goede turbulentie (wervelen en vermengen van verbrandingsgassen met de zuurstof, die in voldoende mate aanwezig moet zijn).

V

Bij de verbranding wordt in de organische (brandbare) bestanddelen van de brandstof opgesloten chemische energie door oxidatie met zuurstof in warmte omgezet. De anorganische (niet brandbare) bestanddelen van de brandstof slaan in de vorm van as neer.

Bij de primaire verbranding wordt de brandstof verbrand en komen brandbare rookgassen vrij. Deze brandbare rookgassen kunnen worden gebruikt voor de zogenaamde secundaire verbranding.

Bij de secundaire verbranding wordt ook het CO uit het rookgas verbrandt door de toevoer van secundaire lucht die zich vermengd met het rookgas. Daarbij spreekt men van een volledige verbranding. Dat gebeurt door de optimale omstandigheden in de verbrandingskamer.

Van volledige verbranding is sprake, wanneer er voldoende zuurstof aanwezig is en hoge verbrandingstemperaturen ontstaan. Men spreekt dan ook vaak van vlammenbrand of gloeibrand. Herkenbaar is een volledige verbranding ook aan de verbrandingsgassen kooldioxide en waterdamp die daarbij ontstaan.

De verbrandingswaarde wordt ook wel calorische waarde genoemd en geeft de maximaal nuttige hoeveelheid warmte aan, wanneer de waterdamp in het rookgas condenseert. De verbrandingswaarde heeft betrekking op de hoeveelheid gebruikte brandstof. (vergelijk ook calorische waarde)

Bij deze verwarmingsmethode komt de brandstoffen van onderen of van de zijkant op een draaiend rooster terecht. Het resultaat is een zeer rustig brandstofbed, waardoor optimale vergassingsvoorwaarden worden bereikt. De uitbranding van de gassen vindt meestal in een nageschakelde naverbrandingskamer plaats. Na volledige uitbranding wordt de as afgeworpen en middels een asreinigingssysteem uit de verbrandingskamer getransporteerd.

Vliegas is de as die bij de schoorsteen en de warmtewisselaar in een stookinstallatie ontstaat.

W

Bij een energieomzettingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling (WKK) wordt zowel de energie die ontstaat door de chemische of natuurkundige behandeling van energiedragers als de elektrische energie die wordt opgewekt uit de energieomzetting benut.

Door een warmtetransmitter – in de omgangstaal ook warmtewisselaar – kan een medium warmte aan een ander medium doorgeven. Bij een (biomassa-)verwarming wordt de warmte van het rookgas bijvoorbeeld in de warmtewisselaar afgegeven aan het verwarmingswater zodat het benut kan worden.

Y

Yttrium-keramiek is een materiaal, dat bijvoorbeeld wordt gebruikt in lambdasondes. Een lambdasonde is een chemische sensor, die bijvoorbeeld de zuurstofconcentratie in het rookgas meet (bijvoorbeeld in stookinstallatie of energiecentrales). Door het elektrische signaal van de sonde is het voor de aangesloten regelelektronica mogelijk om de luchttoevoer zo in te stellen, dat er een optimale verbranding plaatsvindt.